Zorg op straat; Straatpraat met Marthe
In deze maandelijkse rubriek spreken we met een straatzorgverlener over het werk, de dilemma’s en de verhalen die bijblijven. Deze maand zijn we in gesprek met Marthe, straatverpleegkundige in Haarlem.
Marthe van der Meer (41) is werkzaam voor de GGD Kennemerland, waar zij zorgcoördinator en straatverpleegkundige is. Ze woont met haar twee kinderen, vijf kippen en een kat in Zaandam.
Waarom ben je actief geworden in de straatzorg?
Dat is best toevallig zo gelopen. Ik heb Sociaal Pedagogische Hulpverlening (SPH) gedaan en werkte vooral in het sociaal maatschappelijk werk. Tijdens dat werk heb ik de opleiding verpleegkunde gedaan, maar daar heel lang niets mee gedaan, totdat ik hier bij de GGD solliciteerde. Zij waren op zoek naar een verpleegkundige en ik ben bezig gegaan voor de herregistratie BIG. Ik vind dit een heerlijke combi; het toeleiden naar zorg in de functie van zorgcoördinator en het medische aspect als straatverpleegkundige. De doelgroep binnen de Openbare Geestelijke Gezondheidszorg (OGGZ) ligt me goed; ik heb een fascinatie voor mensen met complexe problemen en dat kom ik in mijn werk veel tegen. Ik houd van de combinatie tussen het echte contact maken en het regelen van goede zorg; ik ben een echte zorgregelaar!
Wat is de moeilijkste kwestie die je ooit tegenkwam?
Het werk kan lastig zijn; we zien schrijnende situaties en soms moet je het loslaten zonder dat je echt iets hebt kunnen doen. Het is bijvoorbeeld frustrerend om te wachten tot de problematiek verergert om vervolgens wel iets in te kunnen zetten. Het systeem is complex ingericht, alles is afhankelijk van dat woonadres en daar kom je niet zo makkelijk aan. Daarnaast vind ik het ook lastig als mensen zorg nodig hebben maar dat zelf niet inzien, al zit daar ook de uitdaging.
Wat is het meest frustrerende in je werk als straatzorgverlener?
Dat je soms heel veel moeite moet doen voor iemand en hij of zij dan niet verschijnt, is wel eens frustrerend ja…We hadden laatst een man, ongedocumenteerd en onverzekerd, met fors rectaal bloedverlies. Met veel moeite hadden we een afspraak gemaakt in het ziekenhuis, dat blijft een uitdaging voor onverzekerden. Er is veel geïnvesteerd in het vertrouwen. We hebben hem op de plek waar hij verbleef opgehaald en teruggebracht, eerst naar het spreekuur, later naar het ziekenhuis. De eerste afspraak weigerde hij behandeld te worden door een vrouwelijke arts en bij de vervolgafspraak was hij verdwenen toen we klaar stonden. Daarna nooit meer iets vernomen. Dan heb je zelf ontzettend veel werk verzet en eindigt het vervolgens zo.

Wie is je beste samenwerkingspartner in de stad?
O dat zijn er best veel! Natuurlijk de betrokken huisartsen; we werken met een pool van huisartsen die erg hands-on zijn en affiniteit hebben met de doelgroep. Ook ben ik trots op de tandartsen die de doelgroep onbaatzuchtig helpen. En natuurlijk de opvang waar we twee keer per week spreekuur draaien.
Wat is het allerleukste dat je ooit meemaakte in dit werk?
Wat er nu in me als eerste in me opkomt is een overleg wat we vorige week hadden met het samenwerkingsverband; de verpleegkundigen, huisartsen, tandartsen en een neuroloog van het Spaarne Ziekenhuis; inmiddels zitten we dan met een behoorlijk club om tafel die allemaal een belangrijk doel gemeen hebben; hoe zorgen we dat de medische zorg in Haarlem en omgeving voor iedereen toegankelijk is. We kijken met elkaar naar de verschillende routes en hoe daar hiaten op te lossen. Zo is er bijv. tegenwoordig de afspraak dat als mensen vanuit ons spreekuur naar het ziekenhuis worden gestuurd, en niet eerst een hele triage is rondom verzekerd/onverzekerd, wel of niet betalen; zij kunnen meteen door zonder de vraag wie wat kan betalen.
Ik vind het hartverwarmend dat zoveel professionals zich gezamenlijk inzetten om medische zorg écht toegankelijk te maken voor mensen die anders tussen wal en schip vallen.
Welke patiënt blijft je het meeste bij?
Ik moet dan meteen denken aan een Poolse man, een arbeidsmigrant, die al best lang op straat leeft en behoorlijk wat alcohol nuttigt. Hij wilde heel lang helemaal niks, maar kwam vaak op het spreekuur met allerlei wonden, in eerste instantie door de blikjes die hij verzamelde. De hardheid van zijn bestaan en de ongrijpbaarheid van hem als persoon, naast de medische problemen waar hij mee kwam, maakte dat ik met mijn collega’s uitzoomde: ‘wat zie ik nou, wat speelt hier nou?’ Stap voor stap ontdekten we wat er speelde, stap voor stap liet hij zich toch verleiden tot zorg. Op een bepaald moment gaf hij zich over en liet hij zich de (soms ingewikkelde) molen van zorg inleiden. Hij werd opgelapt en ik zag een andere man. Wat me hier specifiek aan raakte? Dat ik na een lange adem toch werd toegelaten, dat ik toch een kleine opening kreeg om hem te verleiden tot de noodzakelijke zorg. Wat me ook raakt is dat hij nu, na een ziekenhuisopname, toch weer terug naar de straat moet. Dat geeft dan een onbevredigend gevoel van ‘pappen en nathouden’.
Stel je had één dag het voor het zeggen in de zorg in Nederland, wat zou je als eerste regelen?
Dat is een behoorlijke lijst! Allereerst zou ik stoppen met de kostendelersnorm. Van daaruit ontstaan er woonkansen. Daarnaast is wat mij betreft ‘Wonen Eerst/Housing first’ nodig; iedereen heeft recht op een veilige woonplek, zonder veilige woonplek kan je nooit herstellen. Daarnaast hangt er zoveel vast aan een adres; zonder adres val je overal buiten. Ook zou ik het beter gaan regelen voor de arbeidsmigranten; mensen zonder adres zouden niet vast moeten lopen in het afsluiten of behouden van een zorgverzekering, uitzendbureaus moeten beter zorgen voor deze werknemers. Het kan toch niet zo zijn dat je na het verlies van je werk ook je woning en alle rechten op zorg verliest?!